Maleier en Maleierkriel.

Als herkomst wordt doorgaans Oost en Zuidoost Azië aangegeven, is in het begin van de 19e eeuw ingevoerd in Europa en daar geperfectioneerd tot het uitermate hoog gestelde dier wat we heden ten dage zien. De dwergvorm is aan het einde van de 19e eeuw in Engeland ontstaan. Er is een periode geweest dat Maleiers en Maleierkrielen een zekere mate van populariteit genoten. Dit was vooral in het oosten van ons land. Het ras is niet erg productief en misschien is dat de reden dat de belangstelling ervoor wat teruggelopen is. Zeker is echter dat het een ideaal tentoonstellingsras is. De stelling is hoog en de houding opgericht.
Van opzij gezien moet het dier een driebogenlijn tonen, deze driebogenlijn wordt ten eerste gevormd door de wat achterwaarts gebogen hals, ten tweede door de zeer hoog gedragen ronde vleugels, ten derde door de iets afhangende en vrij korte staart. Dit is het enige ras waar de vleugeleinden op de rug gedragen moeten worden. De kuikens van dit ras komen langzaam in de veren. Eenmaal volwassen zijn ze echter zeer gehard ondanks hun krappe bevedering.
Zoals reeds vermeld is de legkracht matig, het fraaie type vergoed echter veel. Ons land kent een aantal toonaangevende fokkers zowel in groot als kriel

Maleier haan

Maleier hen

Maleier Krielhen